Wat betekent het eigenlijk dat maar 3 procent van ons microbioom uit voedsel komt?
Het microbioom is geen romantische metafoor – het is een wetenschappelijke realiteit die landbouw en gezondheidszorg met elkaar verbindt, stelt PhD-onderzoeker Shana Hepping. “De vraag is niet óf we landbouw en gezondheid moeten verbinden, maar hoe snel we dat durven te doen.”
Ik was eind vorig jaar, zoals heel microbieel-gefocust Nederland, bij het congres Food System Microbiomes. In één van de keynotes sprak onderzoeker Nicola Segata over een vraag die verrassend eenvoudig lijkt, maar enorm veel blootlegt: waar komt ons darmmicrobioom vandaan?
Dankzij een megagrote dataset met honderdduizenden monsters genomen uit bodems, voedingsmiddelen, dieren en mensen, heeft zijn onderzoeksgroep de overlap tussen verschillende systemen in kaart gebracht. En die resultaten zijn heel verrassend. Ze vonden de volgende herkomst van microben in onze darmen:
- Voedsel: circa 3 procent
- Omgeving: circa 1 procent
- Dieren en huisdieren: circa 1 procent
- Mens-tot-mens interactie, onderverdeeld in: moeder-baby 10 procent en volwassene-volwassene 20-25 procent
Zeker voor onderzoekers die werken aan de relatie tussen bodem, plant en mens, en daarbij vaak het One Health-paradigma aanhalen, voelt het een beetje contra-intuïtief. Daarnaast klopt het ook dat zulke percentages (zoals 3 of 20 procent) weinig zeggen over het functionele belang van die overlappende delen. Microben uit de bodem of van planten hoeven namelijk niet in grote aantallen binnen te komen om metabool relevant te zijn: functie en diversiteit zijn niet hetzelfde als kwantiteit.
In dat licht lijkt een aandeel van ongeveer 3 procent plausibel, want gezonde menselijke darmmicrobiomen zijn doorgaans heel stabiel; ze worden grotendeels van de moeder geërfd en in de kindertijd opgebouwd. Daarom is het ook zo dat probiotica bij gezonde mensen meestal niet heel effectief zijn: het toevoegen van één of enkele stammen aan een gemeenschap die uit honderden soorten bestaat, verandert die gemeenschap vrijwel niet. Maar in situaties waarin de darmgezondheid verstoord is, of in vroege levensfasen, kunnen microben uit voedsel wél een belangrijk aandeel hebben door daadwerkelijke kolonisatie.
Bovendien opent dit een andere relevante onderzoeksrichting: de kwaliteit van planten zelf, inclusief hun metabolieten. Die kan via de eigenschappen van voedsel een veel grotere invloed hebben op de darmmicrobioom-samenstelling dan de binnenkomende microben alleen. Met andere woorden: het gaat niet enkel om hoeveel microben er van bodem en plant naar mens bewegen, maar vooral om de functies die ze kunnen vervullen en de bredere voedselkwaliteit die de darmomgeving vormgeeft.
Het microbioom in crisis?
Wat kunnen we hier nu uit concluderen? Dat het microbioom in crisis verkeerd? Dat is een weg die sommigen inslaan. Een microbioom-criticus postte dat ‘de bodemhype is doorgeslagen’ en dat het geld dat naar One Health en bodemonderzoek gaat verspild zou zijn, omdat voedsel slechts een paar schamele procenten zou bijdragen aan ons microbioom. De werkelijke invloed zou vooral liggen in menselijke interacties, en het belang van bodemgezondheid zou een ‘elitaire hobby’ zijn.
Allereerst, oef! Voel ik daar een existentiële crisis opkomen? Maar als ik er rustig naar kijk, begrijp ik waar deze reactie vandaan komt. Het voelt inderdaad alsof 3 procent weinig is. Maar dat cijfer vertelt maar een deel van het verhaal. Mijn collega Marieke Elfferich schreef dat het helemaal niet zo gek is dat de overlap klein is. De microbiële leefomstandigheden in een plant en in een menselijke darm verschillen zó sterk dat directe overlap biologisch beperkt is. Tegelijk blijft het ecologische pad van bodem → plantkwaliteit → voeding met mogelijke meer nutritionele waarde → darmgezondheid absoluut relevant.
Dat is dan niet als simpele route van ‘microben die van de grond onze darmen binnen dansen’, maar als onderdeel van een keten waar kwaliteit, metabole functies en robuustheid worden vormgegeven. Indirect, maar onveranderd belangrijk.
En als je het nog fundamenteler bekijkt, zoals ik in mijn werk doe: landbouw en gezondheidszorg hebben allebei te maken met groeiende, verbonden crises. Van niet-overdraagbare ziektes en een overbelast zorgsysteem, tot uitgeputte landbouwbodems en een landbouwsysteem gericht op rendement in plaats van volksgezondheid.
Pesticiden en het microbioom: een gedeeld kwetsbaarheidsniveau
Toen las ik een artikel op Scientias over een nieuwe Cambridge-studie: sommige pesticiden blijken niet alleen ons microbioom te schaden, maar ook antibioticaresistentie te stimuleren bij darmbacteriën die proberen te overleven. Toch wel een erg directe connectie. De informatie was niet nieuw, Zembla koppelde pesticiden al eerder aan microbioom-effecten, maar het raakte me hoe duidelijk dit in een groter patroon past.
Waar landbouw en gezondheid samenkomen (of botsen)
Wat de Cambridge-studie mij laat zien, is hoe verkokerd onze systemen zijn. In de landbouw worden pesticiden vooral getoetst op acute toxiciteit voor mensen of insecten. De bredere, subtielere effecten blijven buiten beeld. De gezondheidszorg kijkt vooral naar medicatie, infecties en in mindere mate ook leefstijl. Maar uiteindelijk lijken chemicaliën uit beide domeinen samen te komen in één ecosysteem: het darmmicrobioom. Daar, in dat kwetsbare, complexe netwerk, ontstaat een gedeelde crisis die we niet kunnen zien zolang we in afzonderlijke sectorale silo’s blijven denken.
In mijn eigen onderzoek zie ik al langer dat het microbioom als een soort interface functioneert:
- Tussen mens en omgeving
- Tussen bodem en gezondheid
- Tussen landbouw en zorg
Het nodigt uit om gesprekken te voeren die disciplines overstijgen. En precies dat werd ook benoemd tijdens de Food Systems Microbiomes-conferentie. Onderzoekers uit alle windhoeken en onderzoeksvelden kwamen tot dezelfde conclusie: we moeten over grenzen heen samenwerken. Het microbioom dwingt ons te erkennen dat gezondheid ecologisch is.
Geen rechte lijn
Laten we toch even terug naar het begin gaan. Maakt 3 procent het bodem- of voedingsmicrobioom onbelangrijk? Ik denk van niet. Het betekent alleen dat overlap niet hetzelfde is als invloed. Kleine input kan grote metabole rollen spelen. Het betekent ook dat de oorsprong van microben niet altijd zichtbaar is: veel microben die via mensen worden overgedragen hebben ooit – jaren of decennia of nóg langer geleden – hun oorsprong in voedsel, dieren of bodem gehad. Microbiële geschiedenis is geen rechte lijn.
En als ik dat weer op mijn eigen onderzoek projecteer, merk ik de verschillende lijnen die samenkomen:
- Menselijk contact is belangrijk. Samen koken, samen eten. Voor onze eigen gezondheid, maar ook ons welzijn.
- Voedselkwaliteit is net zo belangrijk, ultra-processed foods zijn steeds meer in de picture als schadelijk.
- En de bodem speelt, via ecologie, nutriëntenrijkdom en chemische belasting, nog steeds een belangrijke rol in de gezondheid van planten én mensen.
Het is geen hype. Het is systeemdenken. We staan in een tijd waarin landbouw, voeding en gezondheidszorg sneller dan ooit met elkaar verweven raken. Het microbioom is geen romantische metafoor; het is een wetenschappelijke realiteit die twee sectoren – landbouw en gezondheidszorg – met elkaar verbindt. En precies daarom is de vraag niet óf we landbouw en gezondheid moeten verbinden, maar hoe snel we dat durven te doen.
Meer weten? Lees ons interview met microbioom-expert Marco van Es.
Een aangepaste versie van dit artikel verscheen eerder op de LinkedIn-pagina van Shana Hepping.